9 augustus
Om 6 uur staat de taxichauffeur van de dag voor de deur. We ontbijten in de auto, warme dumplings uit een plastic zakje. Tante en haar twee kinderen gaan ook mee. We passeren de waterval waar we ’s middags zullen terugkomen om te zwemmen. Daarna volgt de ene haarspeldbocht op de andere. Deze ongelooflijk mooie bergkam hoort zomaar tot de geboortegrond van Fenmei. Ineens kunnen we niet meer verder, de weg is geblokkeerd door rotsblokken en grote stenen, een graver is hoger op de berg aan het werk. Hoe nu verder? Rechts is de berg, links de afgrond en achter ons het weggetje hoe we gekomen zijn. We stappen uit, iemand roept naar de man in de graafmachine. Natuurlijk, Fenmei lost het op: we klauteren zelf over de blokken en tante belt een nieuwe taxi die ons ophaalt aan de andere kant van de stenen. We lopen het stuk, en al wachtende steeds een beetje verder. Zo raken we vanzelf bij de eerste huizen van het dorp van de vader van Fenmei. Daar ontmoeten we dan Tweede Oom van Fenmei, die nu in het geboortehuis van haar vader woont. Hij weet van onze komst en hij wil ons graag de tempel laten zien, en de hoge bomen, en eigenlijk alle andere mooiste plekjes van het dorp. Wij, we willen door naar het huis. We lopen langs enkele rijstvelden een smal paadje omhoog, en daar staat letterlijk ‘een huis op een berg’. De houten veranda kijkt uit over de groene hellingen. De berg zorgt voor water bij het huis. Paradijs is hier. Het voorzichtige licht in de keuken zet ons direct in beweging. Vangen is een tweede.
Tweede oom, en twee bevriende mensen uit het dorp slaan aan het hakken en snijden. De lunch wordt voorbereid, het is acht uur ’s ochtends. Anderhalf uur later zitten we aan een warme welkomstmaaltijd, met gedroogde vis, varken, lever, verse vis, rund, boontjes en bier en rijstwijn.




Oma, de moeder van Fenmei’s vader en haar grootmoeder hebben het houten huis zelf opgebouwd. Ze kenden zware tijden, waren arm. Er was eens een tijger in het huis, voor oma het teken dat het huis veiliger zou moeten worden. Fenmei’s vader is hier, in dit huis geboren. Hij trouwde haar moeder, en zij kwam erbij wonen. Toen Fenmei in de buik van haar moeder zat, is haar vader uit het huis vertrokken naar Nederland.
We zien de ruimte waar oma de laatste jaren woonde. Dan volgen we Fenmei naar de slaapkamer van haar ouders. Het grote Chinese bed, waarin zus Afen is geboren is nog helemaal in tact, en nu in gebruik door tweede oom. Hij leeft er sinds kort. Hij is na tien jaar Nederland, teleurgesteld en met gezichtsverlies teruggekeerd naar China. Nu wil hij graag dat Fenmei en haar zus en broertje het huis gaan herbouwen. Waarschijnlijk met verdiepingen, gladde vloeren en roestvrijstalen deuren... Voor Fenmei is dit een groot dilemma. Samen met haar zus wil zij het wel graag behouden, maar hoe, en herbouwen of opknappen? En hoe te betalen? Bovendien voor Fenmei geldt het gezichtsverlies niet, zij woont in Nederland. Haar oma en opa van moeders kant, waren in feite de eerste negen jaar van haar leven haar moeder en vader. Daar bij hen, in hun huis, dat is haar plek in China.
